Categorieën
Uncategorized

Ik ben gewoon Anja

Ik ben gewoon Anja

Anja Gramberg

‘Ik ben hier eind 1971 begonnen en ga begin 2021 weg. Toen heette het nog de Willem Arntsz Stichting. Officieel ben ik al sinds 2018 met pensioen, maar ik kon niet stoppen. Mijn contract loopt tot eind maart. Mensen om me heen zeiden: “Misschien moet je erover gaan schrijven, dan kun je afscheid nemen”. Maar ik ben geen schrijver. Ik ben dyslectisch, dus toen ik een redacteur tegenkwam heb ik gevraagd: wil jij me helpen? Zo is mijn boek Kleine ode aan de Willem Arntsz Hoeve ontstaan. Daarmee kan ik een hoofdstuk uit mijn leven afsluiten en laten zien hoe jammer het is dat de psychiatrie van het terrein verdwijnt. Dat de gebouwen nu leeglopen doet mij ook echt pijn.

Eigenlijk kwam ik bij toeval op de Hoeve terecht. Ik zakte voor mijn eindexamen en wist niet wat ik wilde. Nadat ik een beroepskeuzetest had gedaan werd er tegen mijn moeder gezegd: “Het lijkt ons goed als uw dochter de zorg in gaat.” Logisch, want ik had een tijdje een vakantiebaantje bij een joodse instelling in Amersfoort gehad. Ik solliciteerde toen bij de Willem Arntsz Stichting, maar had te weinig vooropleiding. Blijkbaar hadden ze personeel nodig, want ze zeiden: “Je mag beginnen, maar dan moet je wel een opleiding erbij doen.” Dat heb ik gedaan. In die tijd ging je nog intern. ’s Avonds werd je opgevangen als je na het werk thuiskwam. Dan zat er een gastvrouw, de open haard was aan, dan stonden er boterhammen klaar en een kopje thee. Er was een heel gemoedelijke sfeer.

Je werd natuurlijk wel gewoon in het diepe gegooid, maar je deed de dingen heel erg samen. Het keerpunt was voor mij toen ik op Huize Wilhelmina op de groep ging werken. Daar ontdekte ik: dit wil ik echt doen! Samen met de patiënten, samen kijken: hoe kunnen we jou een fijn verder leven geven? Het gaat er niet om wat je wel of niet kunt, om wat je geleerd hebt. Het gaat erom dat je gaat ervaren dat je er mag zijn. Die beperkingen in je hoofd, die ziekte, dat is niet het enige wat je bent. Je bent veel meer. Het is natuurlijk niet zo dat ik het die vijftig jaar alleen maar leuk heb gehad. Er zijn periodes geweest dat ik dacht: ik ga met kinderen werken, die zijn wat enthousiaster. Dit werk is altijd zwaar. Mensen hebben het altijd moeilijk. En de problematiek verandert ook, het is alleen maar heftiger geworden.

Het is wel zo dat de sfeer veranderde toen de forensische psychiatrie erbij kwam. Die patiënten waren met justitie in aanraking geweest en ineens hoorde je verhalen over dingen die gebeurden. Dat de politie vaker over het terrein reed bijvoorbeeld, of dat er meer alarmen afgingen. Je mag het misschien niet zeggen, want ook die mensen moeten een plek hebben, maar er sidderde meer onrust op het terrein. Niet eens omdat we last hadden van de nieuwe patiënten, maar omdat mensen van buitenaf dachten: we kunnen hier alles maken en breken. Het werd algemeen goed hier. Het tastte niet mijn eigen gevoel van veiligheid aan, maar we hebben wel meegemaakt dat we niet alleen over het terrein mochten lopen. Daarvoor heerste er toch meer een sfeer van een besloten, gezellig gezin.

Het is nu totaal anders dan toen ik begon. Ik heb natuurlijk de tijd van de antipsychiatrie heel erg meegemaakt. De Dennendal-affaire was in 1973. Carel Muller was toen directeur van Dennendal. Hij vond dat er een te groot stigma rustte op patiënten en dat we ze als mens moesten gaan zien. Ik zie hen ook als mens. Ik zou heel graag nog kunstwerken neerzetten samen met de patiënten van Altrecht, voordat ik zelf vertrek en voordat alles hier weggaat. Want kunst ligt zo dicht bij mensen die psychisch breekbaar zijn. Dan valt dat stigma van ze af en komt het normale leven via de kunst naar binnen. Ik heb altijd gezegd: ik ben net zo goed een beetje gek. De patiënten zijn ook kwetsbaar en dat heeft mij misschien wel het gevoel gegeven dat ik hier mijn plek kon vinden. Ik heb altijd iets gehad van: ik ben geen therapeut. Ik ben gewoon Anja.’

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on tumblr
Share on google
Share on telegram
Share on whatsapp
Share on email

Meer verhalen uit Den Dolder

Categorieën
Uncategorized

Elk mens is in staat een ander te zegenen

Elk mens is in staat een ander te zegenen

Adriaan Plantinga

‘Ik ben hier acht jaar werkzaam geweest. Mijn voorganger zei bij mijn intrede: “Ik denk dat over vijf jaar deze lokale kerk er niet meer is, maar ga lekker aan de gang.” Volgens mij is dat echt niet aan de orde, want er is veel dynamiek. Als ik ook zie tijdens de pandemie dat er mensen opstaan die het geheel dragen, dan ben ik helemaal niet pessimistisch. De kerk zal haar plek in het dorp en in de maatschappij in ruimere zin, heus weten te behouden. Het is uiteindelijk een schijntegenstelling: kerk en maatschappij. De mensen in de kerk vormen een deel van de maatschappij. Al is het altijd goed om de blik naar buiten open te houden. Kerk zijn in een dorp is niet kerk zijn op een eiland, maar in brede zin dienstbaar proberen te zijn. 
 
We hebben zeker ingewikkelde tijden gehad. Bijvoorbeeld toen de dader van de moord op Anne Faber niet gepakt was. We hebben in het dorp echt een aantal dramatische dingen meegemaakt. Het was voor mij een verrassing om te ontdekken dat als er, bijvoorbeeld laatst, zo’n calamiteit is als bij het brandweercorps, men mij weet te vinden en vraagt: “Kun je niet komen?” Dat is een blijk van vertrouwen en een uitdaging, want hoe kun je mensen ten dienste zijn op het moment dat je kerkelijke jargon helemaal niet kunt gebruiken? Dan word je uitgenodigd om in een seculiere context het toch te hebben over dingen waar het om gaat: zingeving, kwetsbaarheid, samen verder gaan … Maar het uitgangspunt is: een kerk die niet dient, dient nergens voor. Dat is echt zo denk ik.
 
De band tussen kerk en maatschappij is sterker geworden denk ik. Het feit dat je elkaar kent in een kleine gemeenschap, elkaar weet te vinden als er iets aan de orde van de dag is en dat er dan snel geschakeld kan worden om iets voor elkaar te krijgen is de kracht van Den Dolder. Er is veel bereidheid om samen te werken. Misschien is dat ook wel iets van deze tijd, dat je niet meer binnen je eigen clubje zit. Alhoewel, als je niet oppast zijn de sociale media daar wel weer een versterking van. Een leraar van mij zei altijd: een predikant is een facilitator. Dus, als mensen een goed idee hebben dan ben jij degene die dat mogelijk maakt. Je hoeft het niet zelf te doen. En heel veel mensen dragen hier goede ideeën aan, het enige wat ik hoef te zeggen is: leuk, gaan we doen! En het fijne van ergens fysiek wonen is dat je andere mensen en groepen kunt tegenkomen om samen iets moois te maken. Er is hier een goed stel mensen bezig die proberen om op hun eigen terrein op een opener manier verbindend bezig te zijn. 
 
Een Open Huis zijn hoort echt bij mij. Er lag een jaar of tien geleden zelfs een plan om een soort dorpshuis aan de kerk te bouwen. Als de gemeente toen subsidie had verleend was het er ook gekomen. Men vond het mooie plannen, maar op het moment dat de portemonnee getrokken moest worden was het over. Toch is de context waarbinnen de Maria Christinakerk nu functioneert al het dorpshuis dat nodig was voor culturele evenementen, als repetitieruimte voor koren, als plek om een zaal te huren, voor yogalessen en noem maar op. Er speelt zich al veel meer af en dat is goed. Het blijft continu zoeken naar verbanden.
 
Ik ga nu naar acht jaar verder in een andere gemeente, maar het is mijn wens voor Den Dolder dat die gezamenlijke energie zal leiden tot nieuwe verbanden, nieuwe contacten en tot openheid naar binnen én naar buiten het dorp. Zodanig dat we allemaal groeien als mens. Fysiek afscheid nemen kan nu niet. Daarom heb ik twee kaarten geschreven voor mensen binnen en buiten de kerk. Je kunt elkaar altijd het goede wensen. Elk mens is in staat een ander te zegenen. Om mensen daartoe uit te nodigen vind ik waardevol. Dan hoor je natuurlijk weer even de dominee aan het woord, maar ja, dat is mijn vak. Wat mij bij gaat blijven is de schwung van de groep mensen die het hier draagt. De loyaliteit die ik proef. En de humor van sommigen. Dat is onbetaalbaar. Iedereen denkt altijd: het is heel jammer als iemand weggaat. Toch is het ook een kans om weer eens een ander laatje open te trekken.’

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on tumblr
Share on google
Share on telegram
Share on whatsapp
Share on email

Meer verhalen uit Den Dolder

Categorieën
Uncategorized

Het dorp heeft een eigen ziel

Het dorp heeft een eigen ziel

Frans Bulthuis

“Het bevalt me hier uitstekend! Voordat ik dertien jaar geleden in Den Dolder kwam wonen, woonde ik in Rotterdam, prachtig aan de Maas. Nadat ik werd gevraagd voor een baan bij Altrecht heb ik twee jaar op en neer gereden, omdat dat geen pretje was zocht ik een woning. Op een goed moment zei een vriend tegen mij: ‘Je bent nu in Utrecht aan het kijken. Waarom niet in Den Dolder?’ Dat was veel te dicht bij mijn werk, dat wilde ik niet. Maar waarom ook niet? Toen ik een nieuw appartement in het centrum kon kopen heb ik ja gezegd.
 
Iedereen zei: ‘Frans, jij in een dorp? Dat heb je nooit gedaan!’ Maar ik moet eerlijk zeggen, het is een verademing! Ik vond het heerlijk om te merken dat er sociale controle is, en niet op een vervelende manier. Als er iets gebeurt dan weet iedereen dat, dan leeft iedereen mee. Er wordt natuurlijk ook geroddeld, maar dat wordt er in een stad ook. Mijn vader zei altijd: waar je brood is, is je thuis. En ik voelde me hier inderdaad meteen thuis. Ik had natuurlijk ook geluk. We kwamen met zijn allen tegelijk in die nieuwe appartementen te wonen, dus was het heel makkelijk om sociale contacten op te bouwen. Het gaat om je geborgen voelen, het gewone en kunnen zijn wie je bent. Je komt bijvoorbeeld op straat iemand tegen en zegt hallo, of als ik naar de bakker ga, dan weet ik wie daar staat. Het is te overzien. Dat is het mooie van een dorp.
 
Toen ik hier pas woonde had niemand er problemen mee dat je in het dorp patiënten tegenkwam. Niemand die er raar van opkeek wanneer iemand afwijkend gedrag vertoonde. Mensen traden ook gewoon op als het te dol werd. Ik ging ook wel eens naar de Egelantier, dat was een beetje de huiskamer van het dorp. Als je daar de gesprekken hoorde, hoorden de mensen van de Stichting er gewoon bij. Punt. Pas toen er veel mensen van buiten het dorp kwamen ontstonden er problemen. Maar als je hier komt wonen, dan weet je dat dit er is. Je weet toch ook dat het een bosrijke omgeving is of dat Utrecht niet ver weg is? Het is net zoiets als bij Schiphol gaan wonen en klagen dat er vliegtuigen over komen. Die groei gecombineerd met het bezuinigingsbeleid van Altrecht maakte dat er een wij tegen zij ontstond. Jammer.
 
In de tijd rond Anne Faber heb ik me daar verschrikkelijk kwaad over gemaakt. Kijk, wat er is gebeurd is niet goed en valt ook niet goed te praten. Maar de manier waarop erop gereageerd werd! De massahysterie en de wijze waarop die werd aangewakkerd door de pers, want het is een patiënt! De hautaine houding van de hulpverlening destijds heeft ook veel kwaad bloed gezet. Ze lieten de buitenwereld vertellen dat er fouten waren gemaakt. Dat moet je nooit doen. Ik heb in mijn carrière ook fouten gemaakt. Geef dat dan meteen toe en probeer het niet met de mantel der liefde te bedekken. Want uiteindelijk komt het toch uit, en dan worden mensen boos. Dan ben je niet meer te vertrouwen. Je zag een stapeling van reacties en de een moest nog gekker reageren dan de ander om zijn stem te laten horen. Ik vond het triest. Er zijn mensen in een hoekje gezet die dat niet verdienden. Dat is wat mij betreft onrecht en daar heb ik mijn hele leven al ongelofelijk slecht tegen gekund.
 
We doen mensen tekort. Ik denk dat er een groep patiënten is die het nodig heeft om in een setting zoals die op de Stichting te wonen. Niet dat vroeger alles beter was, maar iedereen weet dat als je een beetje overspannen bent dan moet je de natuur in. Waarom haal je mensen die problemen hebben dan uit de natuur? Maak gebruik van wat je hebt! De natuur is medicijn. Ik vind het ook geen goed idee om het terrein vol te bouwen. Daar ben ik helemaal niet blij mee. Maar nee, ik zou niet weg willen uit het dorp. In het dorp zit geborgenheid, maar het moet niet groter worden. Het heeft een eigen ziel en ik denk dat dat ook komt omdat het rondom de instelling is gegroeid. Het is wij en de Stichting hoort daarbij, dat is het dorp. Dat kom je niet vaak tegen.”

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on tumblr
Share on google
Share on telegram
Share on whatsapp
Share on email

Meer verhalen uit Den Dolder

Categorieën
Uncategorized

Als er wat is, dan zijn we er

Als er wat is, dan zijn we er

Buurtcoaches Hendrik en Ton

“Vroeger was het hier hartstikke druk. Op de middenas was van alles te doen: de apotheek zat er, de tandarts, noem maar op. En als je nagaat dat alle panden hier ooit vol zaten met cliënten! Elk gebouw had zijn eigen doelgroep en tot zeg maar tien jaar geleden was het heel erg druk op het terrein. Er was altijd leven, zelfs in de nacht. Maar de laatste tien, vijftien jaar is de cliëntenpopulatie heel erg veranderd. Vroeger hadden we ‘prettig gestoorden’, om het netjes te zeggen, maar nu is er een zwaardere doelgroep. Dat betekent voor ons dat er met regelmatig overlast is.
 
Omdat we er vaak snel bij zijn kunnen we eerder sussen als er iets is. Wij zijn een schakel, een verlengstuk van de verpleging op het terrein naar buiten. Negen van de tien keer kennen wij de cliënten, dat was niet altijd zo. Ze weten dat ze met hun verhaal bij ons kunnen komen en dat we een luisterend oor zijn. Doordat we geen uniform dragen zijn we opener, losser en staan meer tussen hen in dan vroeger. We leggen ze bijvoorbeeld uit dat mensen hinder hebben van hun gedrag en vaak krijgen we daar begrip voor terug of ze vertellen dat het regende en dat ze even droog wilden zitten. Maar als je vertelt dat mensen het niet prettig vinden, dan snappen de meesten het. De ervaring die je daarvoor nodig hebt bouw je door de jaren heen op, het is niet iets wat je kunt leren want je hebt zeker een jaar of twee nodig om deze wereld te leren kennen. Maar anders dan in de gevangenis kun je het hier spelenderwijs doen en dan krijg je de cliënten rustig en weer naar binnen.
 
We hebben ook een hele goede band met de inwoners van Den Dolder, met de winkeliers, met de politie. We durven gerust te zeggen dat dat wederzijds is. Van het begin af aan hebben we tegen het dorp gezegd ‘als er wat is, dan zijn we er’. We doen wat we beloven. Dat is onze kracht. Als we tegen iemand zeggen ‘je krijgt een terugkoppeling’, dan krijgt hij die ook. En mensen weten ons te vinden via de mail of WhatsApp. Dat hebben ze in eerdere jaren gewoon gemist. Het is belangrijk dat ze zich serieus genomen voelen en weten dat wij iets doen als er overlast is. Zo kun je met zijn allen de rust bewaren en overlast beheersbaar maken.
 
Maar de tolerantie van de mensen? Dan kom je op de tijd rond Anne Faber. Daar hebben we natuurlijk een vreselijke knauw van gehad. Wat we al die jaren hadden opgebouwd was in een keer weg. We moesten vijf passen achteruit doen. Heel kort nadat het gebeurd was wilde de leiding van Fivoor dat we ons niet lieten zien in het dorp, maar toen hebben we gezegd: dat gaan we niet doen. Hier zijn we voor, we hebben een brede rug. Ons gezicht niet laten zien kwam niet bij ons op. We zijn gewoon het dorp ingegaan en ja, de mensen waren boos. We hebben geprobeerd het op onze manier uit te leggen. En omgekeerd vertelden cliënten in die periode dat ze liever niet in het dorp kwamen. Ze merkten dat zij aangekeken werden op wat er was gebeurd. Toen zijn we met hen mee het dorp in gegaan. Ook met het personeel trouwens, want die kregen heel veel bedreigingen per telefoon en mail. Dan liepen we met ze mee naar hun auto, of naar het station.
 
Natuurlijk heb je dorpsbewoners die er nog erg mee zitten, voor wie iedereen die hier vandaan komt niet goed is. Er zullen altijd mensen zijn bij wie je het nooit goed kunt doen. Maar er zijn er ook veel die nu zeggen: ‘Dat is geweest. We gaan verder.’ We zijn er misschien nog niet, maar we zitten weer tegen stap vijf op de weg terug aan. Het hangt ook van de mensen zelf af, die moeten weer vertrouwen terugkrijgen. Als er naar mensen geluisterd wordt en ze niet het gevoel hebben dat we ze bij de eerste de beste bocht vergeten zijn dan kunnen we in harmonie samenleven. We staan naast ze en hebben het dorp ook nodig voor het herstel van de cliënten, zodat die weer terug kunnen in de maatschappij. We hebben elkaar nodig.”

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on tumblr
Share on google
Share on telegram
Share on whatsapp
Share on email

Meer verhalen uit Den Dolder

Categorieën
Uncategorized

In het bos is ruimte voor iedereen

In het bos is ruimte voor iedereen

Mirjam van der Laan

“Ik kom uit een klein dorp en ben daar weggegaan omdat ik in de stad wilde wonen. Maar daar ben ik na twaalf jaar ook weer weggegaan om dat ik dichter bij de natuur wilde wonen. Wij zijn hier vier jaar geleden echt komen wonen vanwege het bos, dus mijn band met Den Dolder is nog heel nieuw. Ik voel me steeds meer thuis en heb veel mensen leren kennen omdat ik nu hier natuurlessen geef. Al vrij snel was ik tegen iedereen hoi aan het zeggen als ik over straat liep. Zo fijn! Ik waardeer dat je elkaar ziet, dat je niet zo langs elkaar heen leeft. Ik woon ook in een straat waar veel mensen wonen die hier geboren en getogen zijn. Die kennen elkaar allemaal, helpen elkaar. Je kletst met mensen, je let op elkaar als er iets gebeurt. Ik moest daar heel erg aan wennen. In de stad ben je een individu en in een dorp weten mensen toch wel het een en ander van je.
 
Langzaamaan begin ik een Doldenaar te worden. Bij een vorige workshop waren er ook volwassenen uit het dorp, we liepen op de Willem Arntsz Hoeve de hei op en mensen zeiden: ‘Ik ben hier nog nooit geweest, wat is het hier mooi!’ Toen dacht ik, zelfs mensen uit Den Dolder zelf kun je nog verrassen met de natuur die naast hun huis ligt. Dan voelt het wel als mijn thuis dat ik laat zien. Kinderen worden heel blij van dit soort dingen, maar volwassenen dus ook. En als je dingen weet ga je anders kijken, meer zien en daardoor voel je je ook meer verbonden met de natuur. Als ik andere mensen dat kan laten zien dan voel ik me zelf nog meer verbonden met de natuur.
 
Het bos is ook niet eng. Het wordt heel eng gemaakt. Het is een angst die aangeleerd is. Na Anne Faber veranderde wel mijn gevoel van veiligheid, want ik ging altijd alleen het bos in. Nou is dat voor vrouwen sowieso spannend, maar ik wil dat heel graag. Dus die angst neem ik er gewoon een beetje bij. Al werd die toen wel zo erg dat ik een jaar niet meer alleen in het bos ben geweest. Het had echt even tijd nodig om te landen en een plek te krijgen. Ik ben nog wel alert, maar ik vind het genieten van het bos en een zijn met de natuur meer waard. Ik snap ik wel dat mensen kritisch zijn, maar inmiddels voel ik me net zo veilig als daarvoor.
 
Wat ik mooi vind, ik kom uit Castricum. Dat heeft ook een instelling in het bos en een instelling kiest er niet voor niets voor om daar te zitten: het brengt rust als je omringd bent door bomen. Ik ben dus opgegroeid met het idee dat iedereen anders is en dat er ook excentrieke mensen zijn. Dat iedereen er mag zijn. Maar wat ik op de Willem Arntsz Hoeve mis is een plek om samen te komen. Ik zie mensen lopen, ik zeg ze gedag, maar er is voor mijn gevoel niet echt een plek waar je even bij elkaar komt. Altijd als ik er loop dan denk ik: dit kun je hier doen, dat kun je hier doen. Waar is alles? Het is heel gescheiden terwijl het hier echt geweldig mooi is! Er is heel veel potentie. Ik ben ook heel benieuwd waarom dat niet gebeurt. Is het alleen geld? Je hebt hier wel dingen zoals de bioscoop en de ateliers, maar ik heb het gevoel dat het nog steeds niet helemaal leeft. Ik vind het zo fijn om ergens met mijn kindje te lopen waar bijvoorbeeld dieren zijn, of waar je wat natuureducatiedingen kunt doen, andere ouders met kinderen kunt ontmoeten, andere mensen zien.
 
En ik heb het wel steeds over de natuur, maar het is natuurlijk je eigen natuur. Het is waar je vandaan komt. Het begint soms al meer een soort attractiepark te worden, maar ik vind het heel belangrijk met mijn workshops mensen te laten ervaren dat de natuur van onszelf is en dat wij daar onderdeel van zijn. Want de natuur is er gewoon en in het bos is er echt ruimte voor iedereen.”

 

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on tumblr
Share on google
Share on telegram
Share on whatsapp
Share on email

Meer verhalen uit Den Dolder

Categorieën
Uncategorized

Je krijgt wat je geeft

Je krijgt wat je geeft

Ingrid Wong

“Ik ben opgegroeid in het Gooi, mijn opa en oma woonden in Zeist dus als we op bezoek gingen dan reden we hier altijd langs over de Dolderseweg. Ik kan me wel heugen dat mensen zeiden: als je niet uitkijkt dan kom je nog in Den Dolder. Dat was het gekkenhuis. Toen mijn partner en ik in 2004 gingen samenwonen was het mijn huurhuis daar of zijn koopwoning met een prachtige diepe tuin hier. Die keus was snel gemaakt. En langzamerhand ben ik erg verknocht geraakt aan dit dorp.
 
Ik heb Den Dolder op twee manieren leren kennen. Eerst omdat ik in 2010 in de gemeenteraad kwam. Ik wilde meer wortels met mijn eigen woonplek hebben. Maar ik heb het met terugwerkende kracht leren kennen nadat ik in 2005 vrijwilligerswerk ben gaan doen als gezelschap voor een oudere mevrouw. Mevrouw Spitse was vijf jaar lang op de Willem Arntsz Hoeve in opleiding tot verpleegkundige in de krankzinnigenzorg. Zo heette dat toen nog officieel. Haar verhalen over hoe het was eind jaren 40 begin jaren 50! Het was een organisatie waar wij ons nu niets meer bij voor kunnen stellen. Door haar ging er een heel andere wereld open. Je wandelt er misschien een keer in het bos en dan loop je langs de gebouwen, maar je mist dan de prachtige verhalen van de mensen die er woonden. Dat heeft zij mij heel erg gegeven. En het is toch een heel essentieel onderdeel van Den Dolder denk ik, nog steeds.
 
Ik kan me ook echt heel boos maken over mensen die vinden dat alles dan maar weg moet hier. Alsof je alles maar kan wegduwen en alle risico’s uit de samenleving kan halen. De dood van Anne Faber is een hele zwarte uitschieter. Dat mag je niet direct koppelen aan Den Dolder en aan de Hoeve. Ik wandel daar, ik fiets erdoorheen … De kans is veel groter dat ik onder een auto kom, dan dat ik een keer iemand tegenkom die dan ook nog eens mij zou moeten hebben. Maar ik moet wel eerlijk zeggen dat ik het eerste jaar, anderhalf jaar, met mijn telefoon in mijn jaszak en mijn vingers op de noodknop heb gelopen.
 
Ik denk ook dat we allemaal met de juiste, of liever foute, omstandigheden van het hellinkje af kunnen rollen en geestelijk ziek worden zoals je ook lichamelijk ziek kunt worden. De een kan zichzelf dan als een baron Von Münchausen uit het moeras trekken, maar een hoop mensen kunnen dat niet. En het is ook wel eens goed om dat te zien. Dat wil niet zeggen dat het altijd even makkelijk is om met mensen van ‘die kant’ van het dorp om te gaan, maar ik denk dat je hetzelfde kunt zeggen van mensen van ‘deze kant’. Als we allemaal hetzelfde zouden zijn zou het een hele saaie bedoening worden.
 
Weet je wat het is: onbekend is ook vaak onbemind. We wilden hier voor de Werkwinkel een bankje om de boom en de eerste reactie was: dat geeft vast overlast. Het bankje staat er nu anderhalve maand en wat denk je? Niets! Mensen voelen zich onveilig omdat iemand op een bankje zit met of zonder blikje bier. Er is niets en toch voelen ze zich onveilig. Ik vind dat heel tekenend voor deze tijd. Ik loop regelmatig met de hond vanaf het parkeerterrein van de NS het bos in en zeg altijd iedereen goeiedag en krijg eigenlijk altijd goeiedag terug. Dan komt er iemand in een trainingsbroek en op sloffen met een plastic tasje je tegemoet en dan weet je waar die vandaan komt. Maar als je gewoon goeiemorgen zegt krijg je dat ook terug. Soms kijken ze nog verrast, zo van: dat je dat doet! Je krijgt wat je geeft.
 
Als ik mezelf zo hoor praten denk ik dat ik van mevrouw Spitse vooral geleerd heb dat je altijd moet uitgaan van het respect voor anderen. Haar verhalen waren allemaal doorspekt met respect voor de patiënt. Zij oordeelde ook niet. Ze vond ongetwijfeld wat, maar zei nooit lelijke dingen.”

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on tumblr
Share on google
Share on telegram
Share on whatsapp
Share on email

Meer verhalen uit Den Dolder

Categorieën
Uncategorized

Ik hoor erbij omdat ik hier woon

Ik hoor erbij omdat ik hier woon

Oussama Bouaouiouach

“Ik heb via bemiddeling mijn appartementje op de Vijverhof gekregen. Ik ben er zo blij mee. Het was echt een opluchting: eindelijk iets voor mezelf, geen stress meer. En in deze omgeving! Dat is dubbel winst. Het is een van de mooiste plekken in de provincie en het land. Het is hier zo rustig. Het is voor mij perfect om lekker te wandelen of hard te lopen, wat ik veel doe. Ik ben er heel tevreden mee. Hiervoor keek ik vanuit mijn slaapkamer uit op grijze stenen. Daar word je depri van. Als ik nu opsta en ik kijk uit het raam dan zie ik bomen en groen. Dat verveelt nooit. Mijn vriendin vindt het hier ook prachtig. ‘Je hebt het hier echt getroffen’, zegt ze. Zij woont zelf middenin een woonwijk en heeft niet die groene, bosrijke omgeving. Als zij mocht kiezen zou ze hier gaan wonen. Stel dat ik ergens anders zou moeten wonen, dan moet het beter zijn dan dit en dat is moeilijk te vinden.

Ik ken Den Dolder van vroeger. Ik heb een paar jaar bij DOSC gevoetbald in het derde en mijn broertje speelde voor het eerste. Zo kende ik de mensen hier al en wist ik dat Den Dolder een hechte gemeenschap is. Mensen kennen je gezicht en dat maakt alles toegankelijker. Het vertrouwen, dat vind ik fijn. En ik heb goede buren: dat vind ik ook prettig. Een praatje maken en weten ‘die ken ik’. Ik heb ook niet veel moeite hoeven doen om erbij te horen. Ik leef gewoon zoals ik leef en hoor erbij omdat ik hier woon.

Den Dolder heeft wat te bieden: de hechte gemeenschap, de natuur, de rust. Het is meer dan het negatieve rondom Fivoor. En je krijgt er wel mee te maken, want aan de ene kant zeggen mensen: Den Dolder? Oh leuk, mooie omgeving en zijn mensen enthousiast. Maar anderen zijn dat niet en zeggen: Oh, Fivoor! Ik zeg bewust dat ik uit Zeist kom en niet uit Den Dolder, dan ben ik ervan af. Ik ben nu bijvoorbeeld al twee jaar bondsscheidsrechter jeugdvoetbal voor de KNVB en na afloop van een wedstrijd hoor ik dingen als: ‘Misschien is er weer iemand ontsnapt’. Mensen hebben snel een oordeel en denken: die zit zo en zo in elkaar. Dan begint het meteen negatief en het is ook niet leuk als grapje. Mensen hebben ook serieus gedacht dat ik opgenomen was. Daar voel ik me ongemakkelijk bij.

Als ik erover praat met mijn vriendin zegt ze: ‘De kans is klein dat er bij jou in de omgeving iets geks gebeurt.’ Met die gedachte kan ik leven. Je merkt ook dat er hier goed toezicht is. Ik kwam een keer terug van een bruiloft en zag er heel netjes uit. Voor ik het wist stond er een beveiliger bij me die zei: ‘Wat kom je hier doen?’ Het regende die dag hij vroeg nog: ‘Waarom heeft u geen paraplu bij u?’ Maar die was ik vergeten. Ik heb mijn adres genoemd en het was zo opgelost. Ik snap ook waarom het gebeurt: vanwege wat er allemaal in de media is geweest. Maar het is ook prettig.

De media hebben het heel erg aangedikt. Expres. Mensen moeten accepteren en weten dat Den Dolder niet hetzelfde is als Fivoor. Men moet niet met zo’n oordeel naar Den Dolder kijken. Het is niet wat er in de media over geschreven is. Mijn ideale Den Dolder is er al: de rust, het groen. Dat moet intact gehouden worden. Maar het is nog best wel onzeker hoe het er hier op het Willem Arntsz terrein uit gaat zien, ook voor bewoners. Ik heb gehoord dat een van de panden gebruikt gaan worden voor mensen uit de psychiatrie, dat de instellingen gaan verdwijnen en dat er een woonwijk gaat komen. Maar de rest is mij niet duidelijk. Het is afwachten hoe het uitpakt. Meer kan ik niet doen.”

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on tumblr
Share on google
Share on telegram
Share on whatsapp
Share on email

Meer verhalen uit Den Dolder

Categorieën
Uncategorized

Vrijheid, een toekomst en eigen regie

Vrijheid, een toekomst en eigen regie

Marlon

“Ik heb altijd voor grote bedrijven gewerkt. Je hebt mensen die het ongeluk hebben dat ze hun baan kwijtraken en in een scene terecht komen met bijvoorbeeld drugs en verslavingen. Maar ik had alles en heb de verkeerde keuze gemaakt. Ik heb het zelf gedaan. Sommige jongens die bij ons zitten hebben echt iets meegemaakt. Ik heb het zelf veroorzaakt en ben door de rechter hiernaartoe gestuurd. Ik zit hier natuurlijk niet voor mijn zweetvoeten. Den Dolder betekent voor mij de weg naar de vrijheid en de toekomst, omdat ik hier in de kliniek zit.
 
Ik heb een hele fijne familie die me steunt. Ze keuren mijn gedrag af, maar staan nog steeds achter mij. Toen ik zei ‘ik word overgeplaatst naar Den Dolder’ schrokken ze. Mijn advocaat heeft hen heel goed uit kunnen leggen dat het geen tbs-kliniek is. Hier zitten geen zedendelinquenten of mensen die een moord hebben gepleegd. In het begin dacht ik: waar ben ik terechtgekomen? Ik hoor hier niet thuis. Ik ben niet verslaafd, ik heb geen stemmen in mijn hoofd. Waarom moeten jullie mij observeren? Ik werd een beetje opstandig. Maar ik had mijn telefoon, dat was het belangrijkste. In de gevangenis kon ik niet facetimen, hier had ik contact met mijn geliefde en kinderen.
 
Er was toch iets met mij aan de hand en ik ben gebleven. In de gesprekken met de psycholoog groef ze echt diep en ik wilde het eerst niet horen. Ik was niet gek. Ik was perfect. Ik vond het verschrikkelijk dat me een spiegel werd voorgehouden. Dingen opgegraven die je hebt weggestopt, oude emoties. Want zelf denk je: ik heb het goed gedaan. Hier hebben ze me handvatten geboden. Ik heb hier niet het licht gezien, daar ben ik heel eerlijk in, maar ik heb wel heel veel geleerd. Van de begeleiding, de psycholoog, maar ook van de jongens onderling. Ik ben niet zo’n prater, maar sommige jongens zeggen dingen meteen pats boem. Ik ben meer zo’n type dat het opkropt ik en dan ineens: boem! Hier heb ik geleerd om te zeggen: ik vind dit niet leuk of hé, ruim je spullen eens op. Hier leerde ik voor mezelf opkomen.
 
De allereerste keer dat ik naar het dorp ging was met begeleiding, dat vond ik niet leuk. Je bent je regie kwijt. In het begin is het ook wennen. Ik dacht: iedereen ziet ‘hij komt uit Den Dolder’. Maar ik heb nooit problemen gehad. Nu loop ik meestal via het bruggetje naar het dorp en mensen groeten gewoon, kinderen zeggen gewoon hoi, ouders ook. Ik heb nooit iets negatiefs meegemaakt. Als iemand nu zou komen met de vraag ‘zit jij in Den Dolder bij Fivoor’, dan zou ik gewoon eerlijk zeggen ‘ja’. Ik was tijdens mijn verlof ook nooit bang dat ik iets ging doen. Ik zou mensen willen vertellen dat het geen gekkenhuis is of dat we levensgevaarlijk zijn. Dat is denk ik wel het beeld.
 
De kliniek heeft me een veilige thuisbasis gegeven, dat moet ik eerlijk zeggen. Als ik straks weg ben ga ik het wel missen hier en ik zie er best wel tegenop. Ik heb geen dromen meer, ik wil gewoon wat ik hier ook heb: een eigen plek, werken en een rustig leven. Dat is een keuze die ik maak. Ik wil niet meer in de criminaliteit. Want heeft het geloond? Nee. Ik heb een paar jaar lol gehad, maar verder. Wat ik ga missen? Sommige jongens, de begeleiding … Ik kan zo naar ze toe stappen en zeggen: hé, ik zit niet lekker in mijn vel, wil je de huisarts voor me bellen? of ik wil even een praatje maken. Je kunt makkelijk steun zoeken. Maar nu moet ik nieuwe mensen leren kennen en achter een baan aan. Ik ben er nog niet, maar ik heb wel geleerd dat vrijheid echt belangrijker is dan geld of wat dan ook. Plus je eigen regie houden.”

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on tumblr
Share on google
Share on telegram
Share on whatsapp
Share on email

Meer verhalen uit Den Dolder

Categorieën
Uncategorized

Mijn grootste wens? Een dorpshuis!

Mijn grootste wens? Een dorpshuis!

Martine Scholte

“We woonden in Utrecht en wilden verhuizen. Wat doe je dan? Dan kijk je rondom Utrecht. Nadat we wat huizen in Bilthoven hadden bekeken zei de makelaar: ‘Hier aan het einde van de straat ligt Den Dolder.’ We hadden nog nooit van Den Dolder gehoord, maar werden verliefd op het huis. Ik weet nog dat we gingen kijken en het Pleinesbos ingingen. Vroeger ging ik op kinderkamp in de bossen en dat rook hetzelfde. Zo’n fijne associatie. Het idee ook dat de kinderen zo dicht bij het bos opgroeien is fijn.
 
De afgelopen maanden hebben we door corona veel thuisgezeten, maar thuis is bij ons gewoon de tuin en het achterpad waar we met de buren een gezamenlijke trampoline hebben neergezet. Het is een luxe om zo’n plek achter de deur te hebben. Je hebt de ruimte. Ik heb geen moment spijt gehad. Mijn roots liggen in Den Haag en het voelt hier alsof je aan het strand woont, maar dan met bomen. Ik kan dat echt waarderen. We leven echt in de natuur en je bent zó buiten. Dat is echt heerlijk!
 
Ik heb een visioen van een soort dorpsfeest, zoals je wel eens ziet in van die zoetsappige Amerikaanse films. Met van die gekleurde lampjes, iedereen doet wat en komt samen op een veld waar dan vlaggen hangen. Dat idee. In mijn tuin doe ik dat ook. Daar heb ik nu vlaggetjes hangen omdat het vakantie is en met koningsdag hebben we een kraampje gemaakt en komen de buurkinderen iets uitzoeken. In het begin ging ik ook heel erg op pad om dat nieuwe dorp te leren kennen. Ik wil die verbinding maken en het irriteerde me dat ik altijd het dorp uit moest naar bijvoorbeeld de kinderboerderij.
 
De afgelopen vijf jaar zijn er steeds meer gezinnen met kinderen komen wonen in onze straat, maar ik heb bijvoorbeeld ook een oudere buurman die hier al heel lang woont. Die heeft veel verhalen over Den Dolder. Dan zegt hij: daar zat de slager, toen hadden we drie scholen en daar zat de bibliotheek. Het dorp is zo leuk en we hebben zoveel te bieden, dat ik de behoefte voelde om dat te laten zien. Daarom hebben we dendolder.nl geïnitieerd. Dat raakt dus ook heel erg een persoonlijke wens, want ik ben zo iemand die aan de praat raakt met mensen en dan eindeloos veel dingen opsomt waarvan ze zeggen: ‘Even opschrijven hoor. Dat is wel heel leuk voor de kinderen.’ Als we bezig zijn voor dendolder.nl dan blijkt dat er zoveel te vertellen is.
 
Mijn grootste wens voor Den Dolder is dat er weer een dorpshuis komt, omdat de behoefte heel groot is om dingen samen te doen en samen te brengen. Je merkt echt dat het dorp een knauw heeft gehad in de periode na Anne Faber. Ik vond die tijd, met die verdeeldheid en het hek, ook heel heftig. De pers heeft het enorm onder een vergrootglas gelegd en je durfde eigenlijk niet meer te zeggen dat je in Den Dolder woonde, uit schaamte. Terwijl ik ook dacht: deze plek is super, nog steeds! Er nu zo over praten voelt ook een beetje als oude koeien uit de sloot halen, omdat het geweest is. Ik doe er nu alles aan om online een positief beeld van Den Dolder te schetsen, want er komen ook weer dingen uit voort. Dat is wel heel mooi. Het is toch ongelofelijk dat er zoveel aanbod is? Dat is heel bijzonder voor een dorp. Het geeft aan hoe enthousiast en dynamisch de mensen zijn die hier wonen.”

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on tumblr
Share on google
Share on telegram
Share on whatsapp
Share on email

Meer verhalen uit Den Dolder

Categorieën
Uncategorized

Een brug om bij elkaar te komen

Een brug om bij elkaar te komen

Amber

“Ik kwam door puur toeval in Den Dolder terecht. Ik solliciteerde bij Altrecht Flex en ze zeiden: ‘We hebben wel wat in Den Dolder.’ Ik was nog aan het afstuderen en was bezig met mijn afstudeeronderzoek in de ggz, maar had nog geen ervaring in de forensische zorg en zei: dat is goed. Mijn eerste dag was een vroege dienst, dat weet ik nog heel goed. Half acht beginnen op een plek die je nog helemaal niet kent, maar waarvan mensen wel zeiden: ‘Oh, ga je in Den Dolder werken? Daar wonen toch alleen maar gekken?’ Ik heb nog steeds dezelfde zin in mijn werk als op mijn eerste dag. Het is voor mij ook thuis. Het is niet alleen Den Dolder als dorp, maar ook de afdeling, het gebouw, de collega’s. Als ik aankom en bij de brandweer afsla vind ik de hei ook heel mooi, vooral als de schapen er staan.

Als ik nu terugdenk aan toen is het heel snel gegaan en is er veel veranderd. Eigenlijk wil ik het niet hebben over drie jaar geleden. Ik wil er een beetje vanaf, we zijn veel meer dan ‘de kliniek van …’. Want zo werden we alleen nog maar genoemd. Het is natuurlijk verschrikkelijk wat er is gebeurd, maar je hebt het óók over mijn werk waar ik gewoon elke dag met plezier naartoe rijd dat zwart werd gemaakt. Onze patiënten werden ook tekortgedaan, want we hebben ook andere patiënten die we goede zorg willen geven. Dat is waar mijn werk om gaat. Ik doe dat samen met mijn collega’s voor hen, niet omdat er één iemand is die dat verpest. De media zijn er bovenop gedoken en hebben een eigen verhaal gemaakt van onze kliniek. Dat is écht niet leuk!

Als je zegt ‘het dorp’, dan klinkt dat als een tweedeling, terwijl het een geheel is. De patiënten zijn ook gewoon inwoners van Den Dolder, maar dan in een kliniek. Het zou mooi zijn als niet alleen wij naar het dorp gaan om iets te drinken of boodschappen te doen, maar dat mensen ook bij ons komen om bloemen te halen bij de bloementuin of even koffie te drinken of een broodje te eten in de Wissel, waar mijn patiënten werken. Kijk, ik werk natuurlijk met een pieper en als ik in het dorp ben probeer ik die te verstoppen. Ik heb wel gehad dat mensen gaan kijken. Dan doe ik hem onder mijn trui of jas, want ik vind het voor mijn patiënten niet leuk dat mensen kunnen zien: zij werkt daar en die ander is een patiënt.

Ik denk dat die tweedeling vooral komt door het bekende bruggetje, terwijl ik dat ook heel leuk vind. Het is het einde van het terrein, waarbij patiënten daarna het dorp in gaan en onder de mensen komen. Je bent daar echt op de helft, maar omdat de weg er ook tussen zit voelt het zo ver weg. We moeten die brug denk ik niet alleen gebruiken om over te lopen, maar ook voor de verbinding. Als je allebei aan een kant van de brug gaat staan, sta je tegenover elkaar, maar je hebt die brug ook nodig om bij elkaar te komen.

Net als met dat plan voor een hek. Aan de ene kant begrijp ik het wel, maar aan de andere kant ook weer niet. Hier verblijven patiënten, maar het zijn ook maar mensen die deel uitmaken van de maatschappij. Mensen die dingen hebben meegemaakt en keuzes hebben gemaakt waardoor ze hier terecht komen. Die moeten ook weer terug in de maatschappij en dan wil je ze opnieuw gaan afzonderen? Als mijn leven anders was gelopen was ik hier misschien ook wel terecht gekomen en je weet nooit wat het leven je nog brengt. Soms gaan dingen niet zoals je wil, maar als je weet dat je met elkaar bent kun je er samen iets moois van maken. Dat is ook wel wat ik elke dag probeer te doen, zowel in mijn werk als privé. We zijn op elkaar aangewezen.”

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on tumblr
Share on google
Share on telegram
Share on whatsapp
Share on email

Meer verhalen uit Den Dolder